Worstelen

De donkerte duurt onverminderd voort. Ik vraag me af en toe af of deze ooit nog over gaat. Of ik ooit nog echt onbezorgd zal kunnen lachen. Of ik ooit nog naar mensen zal kunnen kijken zonder te voelen: jij gaat me ook weer teleurstellen, jij bent ook niet te vertrouwen. Ik voel me zo ongelofelijk eenzaam. Er zijn mensen om me heen, die van me houden, dat weet ik. Maar ik voel het niet. Ik voel me een open wond, waar slechte mensen voortdurend in zitten te peuren. Zonder dat ik mezelf daar tegen kan beschermen. En zo wil ik niet zijn. Ik wil sterk zijn, onaantastbaar. Ik heb al zoveel shit meegemaakt, zoveel gezien en te verduren gehad. Waarom heeft me dat niet sterker gemaakt maar zwakker? Waarom maakt het me zoveel uit wat een ander doet of zegt? Waarom ben ik zelf niet genoeg? Ik wil genoeg zijn. Ik ben een goed mens, een leuk mens, de moeite waard. Waarom zien anderen dat dan niet? Waarom vinden anderen me dan niet de moeite waard?

Ik maak me zorgen over mijn kinderen. Ik wil dit niet op hen over dragen. Zij kunnen er niets aan doen dat ik zo in de knoop zit. En ik wil gewoon gelukkig zijn. Hen laten zien dat je gelukkig kunt zijn, gemankeerd en al.

Maar ik wil ook leven met een open hart. Want in de kern weet ik dat dat niet fout is. Dat dat juist een mooie eigenschap is. Ik ben er wel voor anderen als ze me nodig hebben, ik laat alles vallen voor je en kom er aan gesneld. Omdat ik met heel mijn hart van iemand hou. Niet met voorwaarden, en zelfs als je me als vuil hebt behandeld, geef ik je een kans. Omdat ik accepteer dat je niet perfect bent. Waarom zijn er dan zoveel mensen om me heen die me hiervoor straffen? Waarom zoek ik die uit? Ik wil dat niet meer. Ik wil gezien en gewaardeerd worden voor wie ik ben, niet het gevoel krijgen dat ik niet goed ben. Dat ik te intens ben, teveel verwacht. Ik heb iets te bieden aan deze wereld. Waarom krijg ik dan elke keer het deksel op mijn neus?

Advertentie

Gat

En opeens is het daar weer. Dat diepe, donkere gat. Dat zo vervelend bekend voelt. Ik voelde het wel aan komen maar dacht dat ik het af kon wenden. Door mezelf bezig te houden met andere dingen, dingen buiten mezelf. Ik dacht dat ik mezelf wel kon beduvelen, om de tuin leiden. Maar natuurlijk lukte dat niet. En daar ging ik. Het zwarte gat in. Het tuimelen naar beneden gaat maar door, de bodem is nog niet in zicht. En hoewel ik rationeel weet dat ik hier weer uit ga komen, gebaseerd op eerdere ervaringen, ben ik dit keer echt bang dat er iets onherstelbaar kapot aan het gaan is. Hoe vaak kan ik dit aan? Hoe vaak kunnen mijn liefsten dit aan? Iedereen wil helpen maar niemand kan dat. Het is een eenzaam gevecht dat dag en nacht door gaat. Met maar 1 soldaat in de frontlinie en dat ben ik. Zonder pauze, zonder wapenstilstand. Hoe lang nog?

Teleurstelling

Ik zit in een slechte flow. Voel me voortdurend boos, chagrijnig. En als ik die boze lagen weg pel, kom ik terecht bij teleurstelling. Teleurstelling en verdriet. Want ik kom er steeds meer achter dat ik kennelijk echt heel anders in elkaar steek dan veel mensen. In ieder geval de mensen om me heen. Als me iets dwars zit, zeg ik het. Als ik ergens bang voor ben, zeg ik het. Als ik iets wil, vraag ik er om. Als ik me afvraag hoe iets zit, informeer ik ernaar. Als ik om je geef, zeg ik het. Ik vind dat zelf een goede kwaliteit. Zolang ik er mensen niet mee kwets lijkt het me een gezonde eigenschap. Het zorgt er in ieder geval voor dat ik weinig dingen opkrop. Maar heel veel mensen kunnen hier niet mee dealen. Zijn zelf bang voor hun gevoelens, spreken niks uit, durven niet uit te komen voor wat ze denken. En daar heb ik last van. Klinkt heel egocentrisch maar is wel zo. En waar het ook voor zorgt: ik krijg het predikaat ‘grote mond’ opgeplakt. ‘Wel heel direct’. ‘Fel’. Een aantal termen die ik naar mijn hoofd geslingerd heb gekregen.

Maar waarom moet ik me inhouden? Waarom moet ik me aanpassen? Passen jullie je maar aan. Ga met jezelf aan de slag, onderzoek waarom jij niet bij je gevoel komt en fix het. En laat mij in mijn waarde. Oh, en alleen omdat ik ‘direct’ ben en ‘fel’ betekent dat niet dat ik geen gevoel heb, dat ik van steen ben. Door jouw stilte, jouw omtrekkende bewegingen, raak ik dus gewond. Spreek dingen uit, benoem waar je bang voor bent, zeg wat er in je hart leeft; dan geef je me het gevoel dat je me serieus neemt. Dat je om me geeft. Heus, het is niet eng, ik ben het maar.

Maar ik kan niet weg

Vanaf het moment dat ik haar zag, wist ik het. Zij was anders. Anders dan anderen. Tegelijkertijd voelde ik dat zij en ik op elkaar leken. Teveel op elkaar leken. Toen was het nog maar een gevoel. Een diep weten waarvan ik wist dat het waar was maar waarvan anderen het nog toeschreven aan onzekerheid, onervarenheid. Al die jaren vroeg ik om hulp. Werd ik niet begrepen, weggezet, door mensen van dichtbij en veraf. De tijd rolde voort en eindelijk hoorde iemand mijn roepen. Wat ik al die tijd al wist, werd bevestigd. Nu zou alles anders worden. Nu zou er een stappenplan zijn. Nu zou het goedkomen.

Maar het bleek pas het begin te zijn. Het begin van een zoektocht die niet lineair zou gaan. Van vallen en opstaan, van huilen en wanhopen, van verbazing en trots en vooral van twijfel. Altijd weer die twijfel. Doe ik het goed, klopt het allemaal, is dit het beste voor haar, voor mij, voor ons? Nooit had ik van tevoren kunnen inschatten hoe dit kind mij tot in mijn diepste wezen zou kunnen treffen. Met haar woorden en haar zwijgen. Haar blikken en haar lichaamstaal. Ze weet alle knopjes te vinden, drukt ze tegelijkertijd in en kijkt toe hoe ik ontplof. En als de rook dan is opgetrokken, rest niks anders dan schuld en verdriet. Weer verkeerd gedaan, weer iets dat niet werkt.

En soms denk ik: ik stop ermee. Ze zoeken het maar uit. Ik pak mijn koffer, gooi pen en papier en wat boeken in een tas en vertrek. Naar een warm land, naar een koud land, naar een land waar ik alleen en functieloos ben. Waar ik kan ademen zonder plan, zonder doel. Ik vergeet wie ik was en van wie ik hield. Ik zou gewoon zijn. Maar ik kan niet weg. Ik kan niet weg omdat ik een moeder ben. En ze zit in mijn hart. Voor altijd. En dus strijd ik door. Slik ik mijn tranen weg en begin weer opnieuw. Elke dag weer. Tot ik iets vind dat werkt.

Poppetjes

Ik zat tegenover haar en zette de poppetjes neer. Mezelf, mijn vader, mijn moeder, mijn zus, mijn stiefvader en stiefbroertje. Ik begon te vertellen. Van het alcoholisme, de persoonlijkheidsstoornis, de depressies, het vluchten, de benevelde telefoongesprekken, de rode wijn tegen de witte muur, de woorden die een dochter nooit zou moeten horen van een vader. En terwijl ik het vertelde, hoorde ik mezelf en dacht: wat is er mis met jou? Waarom voel je de behoefte om je jeugd zo dramatisch aan te dikken? Waarom verzin je dingen?

Maar ik verzon ze niet. Dit is gebeurd. De herinneringen staan op mijn netvlies gebrand. Maar omdat het zoveel is en zo niet passend bij het beeld dat men van ons, van mij, heeft, wantrouw ik mijn eigen gedachten. Ben ik tot op de dag van vandaag aan het overleven. Voor het oog van anderen niet. Ik heb het goed voor elkaar. Met mijn gezin, mijn werk, mijn huis. Van binnen raast een storm. Zie mij, help mij, zorg voor mij. Leg mij uit hoe ik in elkaar zit want ik snap het niet meer. Wat moet ik doen, waar moet ik beginnen? Ik, die zo goed met woorden is, weet niet hoe ik moet formuleren hoe het van binnen voelt.

Om me heen zie ik hoe mensen leven, genieten, dromen, hopen. Ik ben al blij als ik de dag weer gehaald heb.

Hoe hoor ik mezelf?

Ik ben onlangs 39 jaar geworden. De dag zelf ging vrij geruisloos voorbij. Mede door Corona natuurlijk, maar normaliter ben ik al niet erg van het groots vieren van mijn eigen verjaardag. Maar dit jaar was het toch anders. Ik ben mijn laatste levensjaar als dertiger in gegaan. Volgend jaar wacht mij de big 4-0. En dat doet toch iets met me. Het voelt alsof ik de tweede helft inga. Als het me natuurlijk gegeven is. En door dat cijfer in het vooruitzicht, ben ik geneigd de balans op te gaan maken. Om eens te kijken wat ik tot nu toe bereikt heb. En vooral: om te kijken naar wat ik nog wil. Natuurlijk wil ik vooral dat het mijn kinderen goed gaat, dat we allemaal gezond blijven, dat mijn huwelijk een beetje blijft marcheren. Maar ik wil nu toch ook meer voor mij. Meer tijd, meer ruimte. Voor wie ik ben, wat ik nodig heb en wat ik wil.

En dat blijkt in de praktijk lastig te zijn. Want zodra je als vrouw moeder en echtgenote wordt, lijkt er iets in je hoofd te veranderen. In je hoofd en in je hart. Deze worden 24/7 gevuld met de behoeften van anderen. En als het dan even stil is in dat hoofd, hoor je jezelf niet eens meer. Zo ervaar ik het. Waar heb ik behoefte aan? Wat wil ik worden als ik later groot ben? Wat maakt me gelukkig? Waardoor kom ik tot rust? Wat geeft me energie? Het zijn vragen die ik me de afgelopen jaren nauwelijks meer gesteld heb. In de chaos van een gezin met jonge kinderen, met tegenslagen links en rechts, was daar simpelweg geen ruimte voor. Geen prioriteit. En nu het stof steeds meer begint neer te dalen, wordt duidelijk wat jaren van zelfverwaarlozing aan schade heeft aangericht.

Ik ben mezelf een beetje kwijt. Geen zorgen, ik hoef niet weer richting de PAAZ. Maar ik weet wel dat ik moet gaan zoeken. En het begin maken, van het ontwarren van de kluwen, dat is het aller moeilijkste.

Herinneringen

Ik herinner me dat ik altijd op mijn hoede was. Ik herinner me dat ik voortdurend de omgeving aan het peilen was; hoe doen ze tegen elkaar, hoe groot is de kans dat het weer misgaat vanavond? Ik herinner me die avond dat ik mezelf opsloot in mijn kamer, met mijn hoofd onder het kussen. Ik herinner me het geluid van het gordijntje in de bijkeuken, dat open ging om bij het bierkratje dat erachter stond te komen. Ik herinner me het geluid van slaande deuren. Ik herinner me ochtenden waarbij ze samen aan tafel zaten te praten en de krant lazen. Ik herinner me dat ik dan dacht: yes, dit wordt een gewone dag. Ik herinner me het niet naar huis willen na schooltijd. Ik herinner me gehuil, geschreeuw, slissend gefluister in het donker achter de deur. Ik herinner me de voortdurende knoop in mijn maag. Ik herinner me uitvoeringen, optredens, musicals, die overschaduwd werden door hem. Ik herinner me zoveel dingen niet. Maar de dingen die ik me herinner, zou ik liever vergeten zijn.

Verloren

Het leven dendert voort en kabbelt maar wat aan op hetzelfde moment. Ik merk dat ik me steeds verlorener voel. Steeds vaker bekruipt me het gevoel dat ik in het verkeerde leven zit. Alsof ik de jas van iemand anders aan heb, een jas die te groot en te klein is. Terwijl het coronageweld onverminderd door blijft razen, woedt er in mijzelf ook een storm. Ik voel dat er iets moet gebeuren en ik wil ook dat het gebeurt en ik wil het niet. Ik weet niet meer wat mijn plek is tussen alle dingen. Heb ik dat ooit wel geweten? Of deed ik maar wat? Mijn leven tot op heden kenmerkt zich door een grote mate van overleven. Niet te lang stilstaan bij de dingen, want dan zie je dingen die je niet wilt zien, dingen die je toch niet kunt veranderen. Doorgaandoorgaandoorgaan. Op die tactiek heb ik opleidingen afgerond, banen gevonden, huizen gekocht. Een partner gevonden, kinderen gekregen. Een leven opgebouwd. En nu dat leven staat vraag ik me af waar er plek voor mij is in dat leven.

Het beangstigt me dat ik me zo vaak zo verloren voel. Dus dan zet ik mijn beproefde overlevingstactiek maar weer in. Want die werkt zo goed.

Geluk

De laatste tijd denk ik veel na over geluk. Wat is het eigenlijk, heb ik het al gevonden en kijk ik er overheen of is het iets waar je altijd naar blijft streven maar nooit echt bereikt? Ben je gelukkig als je niets te wensen hebt? Of ben je juist gelukkig als je hetgeen je hebt waardeert voor wat het is, ondanks dat er aan die kleine goudklompjes die je ‘bezit’ ook doffe randjes zitten? Door de wereld waarin we leven, word je voortdurend geconfronteerd met Het Grote Geluk Van De Ander. Dan heb ik het nog niet eens over bezit maar over dat geweldig leuke gezin, die perfecte echtgenoot, die hechte vriendinnengroep. Beelden op social media, maar ook beelden die mensen in je omgeving je schetsen. En die beelden, die maken me onzeker. Ook al weet ik dat wat gedeeld wordt, niet noodzakelijkerwijs strookt met de werkelijkheid.

Wat ik zo weinig zie, is de worsteling. De worsteling die ik bijna dagelijks voel. Het knokken voor datgeen dat het meest in de buurt komt van geluk. Knok ik dan alleen? Leven kost me moeite. Dat betekent niet dat ik dood wil. Allerminst. Maar die constatering, dat hier gewoon zijn voor mij een actieve bezigheid is, maakt me af en toe eenzaam. Ik heb al tal van doktoren gezien, medicatie geslikt, dagboeken vol geschreven. De woorden vinden is het probleem niet. Er verandering in brengen, dat is wat anders. Mijn overactieve hoofd twijfelt, maalt en piekert zich een weg in de rondte. Heb ik wel de juiste partner gekozen? Had ik wel moeder moeten worden? Moet ik een andere carrière zoeken? Vragen die me tussen het runnen van de BV Gezin voortdurend komen treiteren.

Er zijn momenten dat ik denk: die vragen, die proberen me iets te zeggen, ik moet erin duiken. Andere momenten denk ik: het leven is geen sprookje, er is geen magische oplossing, het leven loopt op een bepaalde manier, keuzen hebben consequenties. En ergens, heel soms, zitten er tussen die momenten milliseconden dat ik voel: nu. Nu klopt het. En dan. Is het weer weg.

Van alles niets

En toen was ik na 1 post alweer verdwenen. Het leven, Corona, kinderen, klusjes; het kwam in de weg te zitten van het schrijven. En nu ben ik hier weer, omdat ik het schrijven mis. Het vrije schrijven, het ordenen van mijn gedachten, op een totaal wanordelijke manier, woorden storten op een blanco digitaal vel, hopend dat als ik het teruglees, mijn leven wel logisch lijkt.

Want ik mag niet klagen. Ik heb alles. En toch voelt het alsof het niet van mij is. Alsof ik een stand-in ben voor iemand anders. Gedachten, gevoelens die ik eigenlijk altijd wegdruk. Mezelf vermanend toesprekend: hou op met dat over-analyseren, waarom kun je niet gewoon blij zijn met wat je hebt, waarom moet je altijd alles kapot redeneren. Al vaak vroeg ik me af waarom het leven voor mij zoveel zwaarder en bewerkelijker lijkt dan voor de mensen om me heen. Ervaren zij het eigenlijk hetzelfde als ik en delen ze dat gewoon niet? Of zit er iets in mij waardoor ik voor al die voor andere mensen vanzelfsprekende dingen, net iets meer mijn best moet doen?

De laatste tijd denk ik veel terug aan mijn jeugd. Een tijd waarin ik alles behalve jong kon zijn. Ben ik ooit eigenlijk wel echt een kind geweest, vraag ik me af nu ik twee meisjes van mijzelf mag groot brengen. Jarenlang ben ik in volle vaart langs al het verdriet geraasd. Scherend langs een afgrond waar ik niet in durfde te kijken. Want wat lag daar wel niet allemaal aan ellende? Een jeugd gekenmerkt door angst, onveiligheid, buikpijn. Opgevoed door een moeder die het zelf zo lastig had, die mij haar overlevingstactieken bijbracht waardoor ik nu voortdurend aan mezelf twijfel. Overdrijf ik niet? Stel ik me niet aan? Was het allemaal wel zo erg? Het was helemaal niet zo erg. Ik dik het aan. Ik wil zeker aandacht. Ik verzin het.

En ik weet totaal niet wat ik hiermee moet doen. Maar ik moet iets doen. Want door blijven razen, wil ik niet meer. Al was het alleen maar voor die twee meisjes. Dus totdat ik weet wat ik moet doen, schrijf ik. In de hoop dat de woorden me de weg gaan wijzen.